Over de oorzaak van het geloof
Waarom geloven sommigen het evangelie en anderen niet? En waarom beloont God het geloof en straft hij het ongeloof? De korte verhandeling van Faustus Socinus over deze vraag, hier volledig in Nederlandse vertaling.
Dit is een eigen vertaling van socinianism.com, speciaal voor deze pagina rechtstreeks uit het Latijn vervaardigd. Zij berust op de tekst zoals die is gedrukt in de Bibliotheca Fratrum Polonorum, Fausti Socini Opera, deel II, blz. 455–457. Socinus schreef de verhandeling in het Italiaans; zij is overgeleverd in deze Latijnse vertaling.
Korte verhandeling over de oorzaak waarom men het evangelie van Jezus Christus gelooft of niet gelooft; en daarover, dat God wie gelooft beloont, en wie niet gelooft straft. F. S.
Uit het Italiaans in het Latijn vertaald.
De mens heeft bij al zijn handelingen een of ander goed tot doel. Het goed nu is tweeërlei. Goed is namelijk enerzijds datgene wat rechtvaardig en met de rede in overeenstemming is, zonder te letten op enig nut dat zou toevallen aan degene die het moet doen. En goed is anderzijds datgene wat aan wie het doet enig nut oplevert. Er is dus niemand die met overleg iets doet waarvan hij niet meent dat het óf rechtvaardig en redelijk is, óf hem zeker nut zal opleveren.
Het is weliswaar waar dat wat rechtvaardig en redelijk is, vrucht afwerpt voor wie het doet; maar dat is de mensen niet van nature bekend. Van nature staat voor hen alleen dit vast: dat wat rechtvaardig en redelijk is, ook al levert het wie het doet geen vrucht op en brengt het hem veeleer schade, niettemin in elk geval gedaan moet worden – zoals zij anderzijds van nature ernaar verlangen enige vrucht te plukken van wat zij doen, of ten minste geen schade te lijden. Daardoor komt het dat, wanneer een mens voor iets komt te staan dat hij zou moeten doen en dat hemzelf rechtvaardig en redelijk toeschijnt, maar dat hem (naar het zich laat aanzien) schade zal brengen, hij aan de ene kant door de rede wordt aangezet het te doen – want zij schrijft hem van nature voor altijd te doen wat hij rechtvaardig en redelijk acht –; aan de andere kant echter wordt hij door de begeerte getrokken het na te laten, want die beweegt hem van nature ertoe schade te vermijden.
Wie nu in deze strijd de rede de overhand laat krijgen, verdient lof; want om te doen wat hij juist achtte, verkoos hij te lijden en zegde hij zijn eigen, aangeboren verlangen vaarwel. Wie daarentegen het begeren de overhand laat krijgen, verdient berisping; want om zijn verlangen te bevredigen, weerhield hij zich er niet van te doen wat naar zijn eigen oordeel niet behoorde te gebeuren.
Maar omdat dat aangeboren verlangen naar nut al te machtig in ons is, gebeurt het vaak dat wij, tenzij wij inzien of bedenken dat het doen van wat rechtvaardig en redelijk is ons enig nut zal brengen, het nalaten, hoewel wij het anders heel graag zouden doen; en dat wij doen wat noch rechtvaardig noch redelijk is, hoewel het ons anders mishaagt, omdat wij hopen er enige vrucht van te plukken, dat wil zeggen eer, voordeel of genot.
Toen God dus wilde bewerken dat wij doen wat rechtvaardig en redelijk is, en ons zo deelgenoot wilde maken van zichzelf, die de bron is van alle gerechtigheid en van alle rede, was het hem niet genoeg onze zielen van onze geboorte af enige kennis van deze dingen in te planten, of ons op verschillende wijzen – met name door zijn volk de wet te geven door de hand van Mozes, en vooral door zijn wil ten volle te openbaren door de mond van Jezus Christus – volkomen uiteen te zetten wat werkelijk rechtvaardig en redelijk is. Maar bovendien heeft hij, naast de andere middelen die hij tot hetzelfde doel heeft aangewend, ten slotte in de persoon van Jezus Christus zelf bewerkt dat wij meer reden dan ooit tevoren hadden om aan te nemen dat het doen van de genoemde dingen vrucht zal afwerpen voor wie ze doen: hij stelde aan ieder die ze zou volbrengen het eeuwige leven als loon in het vooruitzicht, en gaf als onderpand Christus zelf – aan wie wij ernaar moeten streven gelijk te worden, als wij ze willen volbrengen –, opgewekt uit een ellendige dood tot een gelukzalig en onsterfelijk leven.
Dit loon is niet alleen het hoogste en onvergelijkelijke, maar ook voor ieder boven al het andere het meest begeerde (want niets streven wij meer na dan geluk en leven). Als het ons zo duidelijk voor ogen was gesteld dat er geen reden tot twijfel overbleef, dan lijdt het geen twijfel dat er geen mens zo vijandig zou zijn tegenover het genoemde rechtvaardige en redelijke, dat hij er niet de vriend van zou worden – dat wil zeggen: dat hij het niet zou volbrengen om zulk een loon te verwerven.
Daarom wilde God weliswaar door de belofte van dit loon de menselijke zwakheid te hulp komen, opdat zij die toch al behagen scheppen in wat rechtvaardig en redelijk is, bij het horen van zulk een belofte zich zouden oprichten tot de hoop dat hun handelen hun het grootste nut zal brengen, en het zo ook zouden doen. Maar hij wilde niet dat de zaak daardoor zo ver gedreven werd dat er geen onderscheid meer zou overblijven tussen de mens die verlangt goed te handelen en hem die door geen verlangen daarnaar wordt beroerd; integendeel, hij wilde dat juist dit het middel zou zijn om de een van de ander te onderscheiden en te herkennen. Want zoals de mens die verlangt goed te handelen, wanneer hij hoort dat er sprake is van een loon dat is uitgeloofd aan wie doet wat rechtvaardig en redelijk is, gemakkelijk geloof hecht aan zulk een goede boodschap, en door er geloof aan te hechten de genoemde dingen doet en op deze wijze openlijk toont dat hij een mens is die verlangt goed te handelen: zo drijft daarentegen de mens die verlangt kwaad te doen, wanneer hij hoort spreken van het genoemde loon, er de spot mee, omdat hij er geen geloof aan wil hechten; en bijgevolg brengt hij het niet over zich de genoemde dingen te doen, en maakt hij zo openbaar dat hij iemand is wie het goed handelen niet ter harte gaat. Daaruit volgt dat God tot zijn hoogste eer als rechtvaardig verschijnt en voor de eersten een milde beloner, voor de laatsten echter een strenge wreker is.
Daarom heeft de alwijze God, onder andere dingen die het menselijk oordeel niet toestaan het voor een volstrekt zekere zaak te houden dat ieder die volbrengt wat Jezus van Nazaret, die Christus genoemd wordt, geboden en gedaan heeft, het loon, het eeuwige leven, zal ontvangen – heeft hij, zeg ik, gewild dat Jezus zelf, uit de doden opgewekt, niet door het hele volk gezien zou worden, maar slechts door enkelen, die God tot getuigen van deze opstanding had bestemd. Als namelijk het hele volk hem had gezien, dan zou niemand zo verdorven zijn geweest dat hij zich niet bij hem had aangesloten, nadat hij langs die weg had ingezien dat Christus de waarheid had gesproken en dat het genoemde loon zeker is; en zo zou hij als een rechtschapen mens zijn verschenen. Maar omdat ieder slechts hoorde dat de genoemde getuigen dit verzekerden, en zo ten minste enige reden had om te twijfelen of het waar was of niet, schonk degene die er behagen in schiep kwaad te doen en als het ware verstokt was in zijn boosheid, geen geloof aan zulk een waarheid en zulk een getuigenis. Geloof schonken alleen zij die hun leven tevoren om geen andere reden niet hadden gebeterd dan omdat zij nog niet zagen hoe zij konden hopen door goed te handelen de vruchten te verwerven die zij uit het kwaaddoen leken te halen; zodra hun daarvan enig licht van hoop opging, lieten zij graag het verkeerde varen en begonnen zij goed te handelen en hun leven te veranderen. De anderen intussen bleven in hun zonden steken: vanwege het mateloze genot dat zij uit het kwaaddoen putten, of omdat zij al te zeer aan hun begeerten verslaafd waren, wilden zij niet geloven dat het hun tot voordeel zou strekken als zij hun leven veranderden – tenzij, zoals men pleegt te zeggen, hun een pand in de hand werd gegeven.
Verder: wat wij behoren te doen, als wij Christus willen volgen, is niet alleen rechtvaardig en redelijk, maar engelachtig en hemels, en schijnt de natuurlijke menselijke krachten grotendeels te boven te gaan. Daarom is het voor een mens (in het algemeen gesproken) niet genoeg enige mening over het genoemde loon te hebben; maar hij moet, als hij tot het einde wil volharden en in elke verzoeking standvastig wil zijn, er enige zekerheid over hebben, die God naar zijn goedheid door de kracht van zijn Geest ons in ons hart doet voelen. Deze genade echter schenkt hij alleen aan hen die, wanneer zij horen spreken van zulk een loon, ermee instemmen dat het waar kan zijn, en wel zo dat zij zich gereedmaken het verkeerde na te laten en de stem van het evangelie te gehoorzamen. Aan die stem schenken zij dat eerste geloof dat hiervoor noodzakelijk is, en dat, zoals wij gezegd hebben, daaruit voortkomt dat het gemoed niet afkerig is van het doen van wat rechtvaardig en redelijk is. Alleen aan dezen dus geeft God, als zij in dit goede voornemen volharden, zulk een licht over de dingen die beloofd en bereid zijn voor hen die hem liefhebben en zijn door Christus geopenbaarde wil gehoorzamen, dat het volstaat om hen te sterken zelfs in de allerzwaarste strijd en hen toe te rusten om elke moeilijkheid, hoe zwaar ook, te overwinnen die zich voordoet aan wie tot het uiterste toe in de voetstappen van Jezus Christus wil treden.
De anderen echter, die door hun boosheid of hun zonden worden tegengehouden, willen – hoezeer zij ook, wanneer zij de prediking van het evangelie horen, inzien dat het rechtvaardig en redelijk is aan zulk een stem te gehoorzamen – haar niettemin niet gehoorzamen, omdat zij de zekerheid van het uitgeloofde loon niet zien, en nemen zich niet voor hun leven te veranderen. Dezen, zeg ik, genieten niet alleen nooit de genoemde gave van God, namelijk het besef van de waarheid van zijn hoogst zalige beloften, maar plegen bovendien, als straf die hun slechtheid of nalatigheid toekomt, naast andere straffen soms door hem van hun natuurlijke gaven te worden beroofd en, doordat hun het verstand grotendeels wordt ontnomen, aan de dieren gelijk te worden. Want als een mens, zoals hierboven gezegd, berisping verdient wanneer hij niet doet wat rechtvaardig en redelijk is, hoewel het hem zeker lijkt dat hem, als hij het doet, schade zal treffen: hoeveel meer zal hij berisping, ja tuchtiging verdienen, als hij het dan niet doet, wanneer hij reden heeft om te geloven dat zijn handelen hem oneindige vrucht zal opleveren.
De mens dus aan wie de wil van God, die door Christus aan de wereld is gebracht, is geopenbaard, moet bedenken: ook al schijnen daden die tegen deze wil worden begaan en bijgevolg noch rechtvaardig noch redelijk zijn, hem een grote vrucht te kunnen opleveren, doordat zij eer, voordeel of uitzonderlijk genot opbrengen; en ook al kan het daarentegen schijnen dat hij, als hij ze nalaat en doet wat rechtvaardig, redelijk en in overeenstemming met deze goddelijke wil is, zware schade zal lijden, doordat hij schande, verlies van zijn bezit of geen geringe lichamelijke kwelling moet verduren – toch heeft hij, op grond van wat hij heeft horen vertellen over Christus, die uit de doden is opgewekt en in de hemel opgenomen, onsterfelijk en uiterst machtig gemaakt, geen geringe reden om te hopen dat voor wie hem navolgt ten slotte zo groot een voordeel is weggelegd, dat het al het eerder doorstane kwaad overvloedig vergoedt, ja oneindig ver overtreft. En het lijdt geen twijfel dat hij, tenzij hij geheel en al een slaaf is van de zonde en van de vleselijke en wereldse begeerten, zal besluiten deze goddelijke wil te gehoorzamen; en zo zal hij, terwijl hij de zwaarste straf ontloopt die God de ongehoorzamen zal opleggen, voortaan met Gods hulp in deze gehoorzaamheid kunnen volharden en ten slotte heerlijkheid, rijkdom en onuitsprekelijke en eeuwige vreugde verwerven.
Over de tekst
De verhandeling behoort tot de kleine geschriften van Faustus Socinus. In het tweede deel van zijn werken staat zij tussen zijn antwoord op de bezwaren van de predikant Cuteni en zijn verhandeling tegen de chiliasten; de kopregel van de druk noemt haar eenvoudig „Brevis discursus F. S. de caussa fidei” – „Een korte verhandeling van F. S. over de oorzaak van het geloof”.
Het antwoord van Socinus: God heeft het eeuwige leven beloofd en het gewaarborgd door Christus op te wekken, maar heeft het bewust niet zo openlijk voor ogen gesteld dat niemand er nog aan zou kunnen twijfelen. De opgewekte Christus verscheen alleen aan de getuigen, niet aan het hele volk. Zo wordt het geloof tot toetssteen: wie het goede wil doen, hecht geloof aan de goede boodschap; wie aan het kwaad vasthoudt, drijft er de spot mee. De zekerheid die nodig is om te volharden, geeft God door zijn Geest aan hen die dit eerste geloof aanvaarden en ernaar handelen.
De laatste, zeer lange alinea van de druk is ter wille van de leesbaarheid in drie alinea’s verdeeld; verder volgt de vertaling de indeling van het origineel.
